Matigen van niet-concurrentiebeding wel mogelijk

Door Thomas Baudewijn op 15 januari 2016
Binding contract

In twee opmerkelijke arresten heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat een rechtbank een excessief niet-concurrentiebeding kan matigen door enkel het deel dat excessief is nietig te verklaren zodat het toegelaten deel kan blijven voortbestaan. Hiermee wordt er gebroken met de opvatting dat dit soort van bedingen een kwestie alles of niets zijn, i.e. ze zijn integraal geldig of ze zijn het niet.

Eén van de grote principes van ons economisch recht is de vrijheid van concurrentie dat we kunnen terugvinden in het artikel II.3 van het wetboek van economisch recht. Dit principe is dermate belangrijk dat het van openbare orde is en dus beschouwd wordt als één van de hoekstenen waarop ons recht gebaseerd is.

Desalniettemin kunnen partijen in een nog steeds een niet-concurrentiebeding opnemen, mits dit voldoende redelijk is geformuleerd. Concreet houdt dit in dat het beding voldoende moet beperkt zijn naar voorwerp, duur en territorium. Is dat niet het geval dan zal het beding wel als strijdig met de vrijheid van concurrentie geacht worden. De sanctie die de wet in dat geval voorschrijft is dat het beding nietig is en er bijgevolg moet vanuit gegaan worden dat het nooit heeft bestaan.

Bij het opstellen van een overeenkomst waarin een niet-concurrentiebeding was opgenomen, was het dus opletten om hier niet in te overdrijven. Met een matig maar geldig beding ben je immers meer dan een streng maar beding.

Dit lijkt nu echter verleden tijd te zijn. In een eerste arrest van 23 januari 2015 moet het Hof van Cassatie zich uitspreken met betrekking tot een overdracht van een onderneming waarin een niet-concurrentie beding van 17 jaar was opgenomen en dat door het Hof van Beroep te Gent integraal was nietig verklaard.

In cassatie werd geoordeeld dat een integrale nietigheid niet op zijn plaats was. In de overeenkomst was immers ook een deelbaarheidsclausule opgenomen op grond waarvan nietige bedingen van de overeenkomst worden afgescheiden en de overige clausules kunnen blijven voortbestaan. Op die manier kan de nietigheid van een beding de overeenkomst niet verder “infecteren”. Dat betekende volgend het Hof dat het beding enkel nietig is voor de duur die als excessief kan worden beschouwd, zodat de sanctie eerder als een matiging moet aanzien worden.

Enkele maanden later volgde op 25 juni 2015 een tweede arrest waarin het Hof van Cassatie haar zienswijze van het eerste arrest bevestigde en zelfs nog een stap verder gaat. Ook wanneer de overeenkomst geen deelbaarheidsclausule bevat kan de rechter overgaan tot matiging van het beding door enkel het excessieve deel nietig te verklaren.

Voor de praktijk betekent dit dat er een stuk minder voorzichtig moet omgesprongen worden bij het opstellen van een niet-concurrentiebeding. Sterker nog, lijkt deze zienswijze juist aan te moedigen om excessieve clausules te schrijven, want als het ooit voor de rechtbank komt dan ben je toch zeker dat het niet-excessieve deel behouden zal blijven en er dus niets te verliezen valt. Het is zodoende nog maar de vraag of dit een verbetering is.

Het lijkt ons ook zo dat deze theorie naar analogie kan worden toegepast op andere bedingen, terwijl de wet strikt genomen enkel een matigingsrecht voorziet voor onredelijk zware strafbedingen. Maar dat was ook eerder als een legalisering van een bestaande praktijk te aanzien. Gebeurt hier hetzelfde of zal de wetgever dit terugfluiten?

Reactie toevoegen

Platte tekst

  • Geen HTML toegestaan.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
Bij het indienen van dit fomulier gaat u akkoord met het privacybeleid van Mollom.